Onze Dieren

Op de KiBo wonen de volgende dieren:

-Clun Forest schapen

Oorsprong:
Het ras Clun Forest is ontstaan in het midden van de vorige eeuw. Het is evenals zoveel rassen in Groot-Brittanië voortgekomen uit kruisingen van andere rassen. De Shropshire Down en de Welsh Mountain hebben waarschijnlijk het meest bijgedragen aan het ontstaan van dit ras. Vanaf 1850 tot 1890 had het ras slechts een lokale bekendheid. Het kwam voornamelijk voor in de omliggende bossen (forests) in het heuvelachtige gebied bij de oude marktstad Clun (vandaar de naam) in Zuid Shropshire, vlabij de grens met Wales. Vanaf 1837 is regelmatig in documenten verwezen naar de vele uitstekende kwaliteiten van de Clun. De gehardheid en vruchtbaarheid van het ras waren het gevolg van natuurlijke selectie en schapenkennis gebaseerd op de geologische structuur van het Clun Forest gebied. Na 1900 kreeg het ras steeds grotere bekendheid vanwege het grote aanpassingsvermogen aan bodem en klimaat en heeft het zich snel verspreid over Engeland, Wales en Schotland. Ook de vruchtbaarheid en de prima moedereigenschappen hebben daar aan bijgedragen. In 1925 werd het Clun Forest stamboek opgericht en nadien heeft het ras vanwege de vele goede eigenschappen ook buiten het land van herkomst meer betekenis gekregen.

Eigenschappen

Clun Forest schapen zijn vlees/wolschapen. Het is een vruchtbaar ras; het aantal levend geboren lammeren ligt rond 1,7gemiddeld.
Circa 70% van de ooien werpt op eenjarige leeftijd. De ooien lammeren gemakkelijk, zelden is hulp nodig bij de geboorte. De ooien zijn melkrijk en hebben zeer goede moedereigenschappen. Vanwege de gemiddeld hoge leeftijd, is de levensproductie aan lammeren doorgaans hoog. Het komt regelmatig voor dat ooien ouder dan 10 jaar nog lammeren grootbrengen. De roomwitte vacht is van goede kwaliteit en een hoge mate van elasticiteit en daardoor veel gebruikt als breiwol. Voor een leek is de Clun Forest op een afstand het best te onderscheiden door de donkere kop met kuif en de rechtopstaande oren, gespitst omhoog en alert kijkend. Hun oren zijn voortdurend in beweging als van een paard. Samen met de parmantig opgerichte hals en het vlotte gangwerk maakt het de Clun Forest populair en vergelijkbaar met een Arabisch volbloed paard.

Rasomschrijving Clun Forest.
(de Clun Forest: het Arabisch volbloed paard onder de schapen)

Een vrij lang schaap
Een levendige opmerkzame verschijning
Kop hoog gedragen.
Zwartbruine kop, oren en poten.
Oren rechtopstaand.
Kop: lang en smal, zwartbruin, zonder plooien.
Wol doorlopend tot tussen de oren, uitlopend in een volle kuif.
Heldere uitkijk,
Oren: zwartbruin, van korte tot middelmatige lengte, rechtopstaand, beweeglijke oren, orenspel.
Hals: middelmatige lengte, vanuit de schouder fier gedragen.
Borst: vol en diep met voldoende ruimte.
Romp: diep met goed gewelfde ribben.
Rug en lendenen: sterk en vlak, goed bevleesd.
Achterhand: breed en diep.
Poten: recht, zwartbruin behaard tot de knie en de hak, daarboven bewold. Goed gangwerk. Sterke koten.

- Vlaamse Reus

De Vlaamse reus is een Belgisch konijnenras dat al raszuiver was in de 19e eeuw. Zijn oorsprong ligt waarschijnlijk in het Oost-Vlaamse Gent. Het dier dankt zijn naam aan zijn grootte en zwaarte. Andere en grotere rassen, zoals de Duitse reus zijn ontstaan door kruising met Vlaamse reuzen. Eenmaal volwassen, weegt het dier van 6 tot 7,5 kg, maar er zijn zelfs exemplaren gewogen van 10 kilogram (ter vergelijking: een wild konijn weegt 1,2 tot 2,5 kg). De oren zijn minimaal 17 cm en maximaal 21 cm lang. Hangende oren zijn niet toegelaten. Kort gebouwde dieren zijn uit den boze; de lichaamslengte van een goedgebouwde Vlaamse reus bedraagt minstens 65 cm.

Kleuren

Het mannetje is tamelijk goed van het vrouwtje te onderscheiden. Eenmaal volwassen en geslachtsrijp (vanaf 6 maanden) kunnen we de rammelaar herkennen aan de flink ontwikkelde kop. De voedster daarentegen heeft een smallere kop en onder de kop soms een wam. Te grote wammen, ook wel beenwammen genoemd, worden afgekeurd. Ondertussen bestaan ze naast konijngrijs en wit ook in ijzergrauw, geel, blauw, blauwgrijs, blauwgrauw, zwart en haaskleur. Dit zijn alle 9 erkende kleuren. Dieren met meer dan één kleurschakering (zoals konijngrijs met wit) zijn niet toegelaten op tentoonstellingen en meestal niet raszuiver.

 

Functie

Vlaamse reuzen worden meestal niet voor de slacht gehouden, daar ze te groot zijn. Als huisdier zijn ze meer geschikt, maar omdat ze veel eten en een groot hok nodig hebben, kiezen mensen vaker voor een dwergkonijn of ander ras. Desalniettemin krijg je van zo'n dier heel veel liefde terug. Bovendien zijn ze ook kindvriendelijk, de meesten hebben immers een rustig, lui en goed karakter en hebben veel geduld. Tevens wordt dit ras gekweekt voor tentoonstellingen. Daar stelen ze meestal de show en kan je er mooie prijzen mee winnen.

 

Voeding

Op vlak van voeding doet de Vlaamse reus in feite niet moeilijk. Toch moet men, bij het aanschaffen van zo'n dier, rekening houden met het feit dat Vlaamse Reuzen meer eten moet krijgen dan een ander konijn. Variatie van zoveel mogelijk groentes een kleine hoeveelheid tegelijkertijd is belangrijk, in de natuur eten konijnen immers ook altijd gevarieerd. Voorbeelden van goede groenten om te geven zijn: andijvie, veldsla, broccoli, venkel, wortelen, loof van wortelen en radijzen, witlof, waterkers, aangevuld met een takje peterselie of selderie. Voeder appels en peren met mate. Liever niet al te veel bonen, erwten, maïs, kool (alle variëteiten), spruitjes en sla. Vooral bij Vlaamse reuzen is het geven van groenvoer ook belangrijk, net zoals goed hooi. Ze bevatten beide die vezels die goed zijn voor de darmflora. Bij een tekort aan de vezels kan het dier diarree krijgen of ziek worden. Ook hier is variatie belangrijk. Er zijn in de natuur nog veel kruiden en planten die goed zijn voor konijnen. Enkele voorbeelden: weegbree, herderstasje, boerenwormkruid, bloemen en blad van de paardenbloem, dovenetel etc. Ook de toppen van brandnetels zijn gezond, wanneer men ze echter een dag laat liggen. Zo trekt de 'brand' weg. Hoewel uw dier graag klaver eet, moet u ook hier de vuistregel toepassen: ' Voeder met mate.' Vele handleidingen geven de raad om groenvoer te knippen of te plukken en nooit gemaaid of nat groenvoer te geven. Voeder af en toe en vooral 's winters (wanneer er geen gras meer te vinden is) eens een biet of takken van een appelboom of kruitwilg. De tanden van een konijn blijven immers doorgroeien en wanneer een konijn niet genoeg knaagt, krijgt het te kampen met olifantentanden. Een konijn moet telkens veel water ter beschikking hebben.

- Twentse Landganzen

De Twentse Landgans is een vroegrijpe, bewegelijke, licht tot middelzwaar gebouwde, horizontaal gestelde gans van het landganstype. De ogen zijn bij beide kleurslagen lichtblauw. Zowel de poten als snavel zijn geeloranje waarbij de snavelnagel licht hoornkleurig is. De nauwelijks middellange hals wordt rechtop gedragen. De vleugelpunten elkaar raken op de stuit.
De Twentse landgans komt voor in de kleurslagen wit en bont. Het overgrote deel van de Twentse landgans was vroeger wit, de weinig voorkomende bonte dieren hadden vaak alleen aftekening aan de kop, de rug en de flanken. Dit omdat het witte dons, geplukt van hals, borst en buik meer opleverde dan het donker gekleurde dons. Een belangrijk raskenmerk was de vroege leg. Twentse ganzen begonnen vaak in november, december te leggen.
De Twentse landgans kent in tegenstelling tot vele andere ganzenrassen geen buik- en keelwamontwikkeling. Naast wamontwikkeling wordt als niet rastypisch aangemerkt een donker gekleurde snavelnagel, een donkere nek- en kopstreep bij bonte dieren of knobbelontwikkeling aan de aanzet van de bovensnavel. Dit duidt op rasvreemde invloeden. Een zwemmende Twentse landgans heeft een horizontaal tot zeer licht opgaande lichaamslijn. Een hooggedragen staartpartij duidt op knobbelgansinvloed. Deze dieren zijn vaak ook herkenbaar door de hoge roeptoon.
De relatief kleine Twentse gent en gans van wegen respectievelijk 5 - 6 en 4 - 5 kg.

- Indische loopeenden

Indische loopeenden komen oorspronkelijk uit het voormalig Nederlands-Indië. Rond 1850 werden de eerste loopeenden daarvandaan meegenomen naar Engeland. Daar werden de eenden doorgefokt tot goede legeenden. Zo halen deze eenden een gemiddelde productie van wel 200 eieren per jaar per eend. Rond 1920 zijn deze eenden naar Nederland gehaald waar ze werden gehouden als bijverdienste voor vissers. Voer was in de vorm van visafval en bijvangst ruim voorhanden. In het land van oorsprong gaan eendenhoeders met hun eenden langs de rijstvelden van de boeren om ongedierte en de laatste restjes rijst van de reeds geoogste rijstvelden op te eten. De rijstboeren hebben dan een schoon, bemest veld en de eendenhoeders kunnen eieren en vlees verkopen. Als de eenden nog jong zijn wordt vlakbij hen een bamboestok met aan het uiteinde een pluim in de grond gestoken. Die stok staat naast een bak met voer. Daarmee leren de kuikers om in de buurt te blijven van de stok. Met dezelfde stok worden de eenden later bij elkaar gehouden door de eendenhoeder.

Kenmerken

Het eerste wat opvalt aan deze eenden is dat zij niet kunnen vliegen. Door de in verhouding tot hun lichaamsgewicht kleine vleugels komen zij niet verder dan een 60 cm van de grond. Het zijn geen echte zwemmers en ze hebben dus weinig open water nodig. Anders dan de inheemse eenden soorten verblijven deze eenden dus voornamelijk "aan land". Het typische van de loopeend is dat hij niet waggelt maar (zoals de naam al zegt) loopt. Mede door deze eigenschappen zijn ze vrij eenvoudig te houden. Achter een afzetting van 80-100 cm en een mogelijkheid voor de eenden om te baden kun je veel plezier beleven aan een koppeltje loopeenden. Loopeenden bereiken een leeftijd van 8-10 jaar.

Werken met loopeenden
Wanneer een koppeltje loopeenden op een groot grasveld wordt losgelaten blijven ze bij elkaar net als een koppel schapen en laten zich sturen door mens of hond. Dat maakt ze geschikt om mee te oefenen voor het schapendrijven met de Border Collies. Het is leuk om af en toe eens met eenden te werken. Je hond wordt geleerd om kleine bewegingen te maken en zich rustig te gedragen. Zelf word je gedwongen om je commando's snel en precies op het juiste moment te gebruiken. Ook voor demonstraties van het drijfvermogen van Border Collies wordt regelmatig van deze eenden gebruik gemaakt.

- Duiven

Gelderse Slenken
Ook deze duif is een zeldzaam diersoort, die zijn oorsprong kent in Arnhem en omgeving. Het is een
kropduif, wat je kunt zien aan de grote zak voor op de nek.
Deze duif werd gebruikt om andere duiven naar het hok te lokken. De gelokte duiven verdwenen niet 
alleen in de pan, maar werden ook gebruikt om geld te verdienen door duiven terug te verkopen aan de 
oorspronkelijke eigenaren. Hele handels werden er in gedreven in speciale winkels.

- Muisjes

De muizen die we in het gebouw van de KiBo hebben zijn kleurmuizen. Zo kun je zwarte, bruine en beige 
muizen zien. Het zijn echte tamme muizen die heel rustig zijn.
Ook krijgen ze al regelmatig jonge en het heel aardig om te zien dat muizen van een paar centimeter al 
door het ruime hok kruipen.

- Landgeiten

Op zaterdag 26 september zijn er twee landgeiten op de KiBo Schagen gekomen. Daffodil (5½ jaar) en Ipomaea (½ jaar) komen uit natuurgebied ’t Twiske, waar ze werden ingezet voor de begrazing van het natuurgebied. Met de landgeiten heeft de KiBo Schagen er weer een zeldzaam huisdierras bij. Naast de bonte geit is dit het tweede soort wat behoort tot de zeldzame dierrassen die Nederland nog heeft. De Nederlandse Landgeit is een stevige, middelgrote geit met horens. Vooral de bokken hebben zware, meestal liervormige horens, en vaak een bokkenpruik en een wipneus. Bokken zijn altijd langharig, terwijl de geiten ook kort-ruigharig kunnen zijn. De vachten variëren van bont, met zwarte, bruine, beige of blauwe vlekken, tot een enkele keer helemaal wit. De Nederlandse landgeit wordt vooral als hobbydier gehouden en soms worden ze gemolken. Daarnaast worden ze ingezet bij de begrazing van natuurterreinen. Eén kudde houdt al ruim twintig jaar de Mariapeel vrij van ongewenste boomopslag.

Geschiedenis
In het begin van de zestiger jaren was de landgeit op enkele exemplaren na verdwenen. Enkele dieren, wat al te fanatieke 'leiders' uit een schaapskudde in het Gooi, werden geschonken aan de dierentuin Blijdorp te Rotterdam. De toenmalige directeur van deze dierentuin dr. A.C. van Bemmel ging fokken met deze en enkele andere landgeiten, die nog voldoende het type hadden.Toen deze landgeitengroep de dierentuinomvang ontgroeide ging een koppeltje van 4 geiten en 4 bokken in 1971 naar het Rijksinstituut voor Natuurbeheer in Leersum. Deze koppel groeide in omvang en er kon worden geselecteerd op het oorspronkelijke type, zoals dat werd afgeleid van oude afbeeldingen op schilderijen.

Fokmethode
De landelijke fokkersclub van Nederlandse Landgeiten houdt een stamboek bij om inteelt te voorkomen. De laatste jaren gaat het goed met het aantal dieren. In 2000 stonden 1473 dieren in het stamboek ingeschreven. Daarmee is de geit opgeklauterd uit een kritieke situatie naar de status van een kwetsbaar ras.

- Blauwe Texelaar met lam
- Bonte geiten
- Toggenburger geit
- Dwerggeiten
- Cavia's
- Konijnen
- Gerbils
- Kippen
- Kuifeenden